Power Quality analyse

MavoWatt 50
Power Quality Hemago
PQ Box 100
Spanning Harmonische Hemago

Gedetailleerd overzicht van de parameters van norm EN 50160

De norm bepaalt de toleranties en de grenswaarden voor de hierna volgende parameters. De vermelde waarden zijn van toepassing op laagspanningsnetten en ook, mits enkele aanpassingen, op netten met middenspanning. Deze omschrijving biedt een eerste benadering van de norm. Gedetailleerde gegevens staan te lezen in de tekst van de norm.

  1. Trage spanningsvariaties
    Dit is een verhoging of verlaging van de effectieve spanningswaarde door een ladingswijziging in het distributienet. De toegestane afwijking bedraagt ± 10% van de UN gedurende 95% van een week. De genormaliseerde spanning bedraagt 230 V.

  2. Korte en lange spanningsonderbrekingen
    Hier kan de norm alleen richtwaarden geven. Bij normaal gebruik komen korte stroomonderbrekingen voor bij een frequentie van 10 tot 100 keer per jaar. In 70% van de gevallen duurt die onderbreking niet langer dan 1 seconde. Lange onderbrekingen zijn te wijten aan externe evenementen die buiten het geldigheidsbereik van de norm vallen en waarvoor geen richtwaarden kunnen worden gegeven, omdat die sterk uiteenlopen van land tot land of ook naargelang het type installatie, bijvoorbeeld bovengronds of ondergronds

  3. Evenementen(‘events’): spanningsdalingen en overspanning
    Een spanningsdaling wordt omschreven als een kortstondige daling van de spanning onder 90% van de nominale spanning Un. Spanningsdalingen zijn meestal te wijten aan defecten in het net van de klant of in het openbare net en zijn niet voorspelbaar. De norm geeft hier alleen richtwaarden. Het aantal spanningsdalingen kan variëren van 10 tot 1000 per jaar. De meeste spanningsdalingen duren niet langer dan één seconde en hun laagste niveau overschrijdt slechts zelden de waarde van 60% van de nominale spanning Un. Korte overspanningen, bijvoorbeeld veroorzaakt door het inschakelen van een zware belasting, mogen de drempel van 10% van de nominale spanning niet overschrijden.

  4. Harmonischen en interharmonischen
    De werkelijke vorm van de spanningsgolf is vaak periodiek maar niet sinusvormig. De misvormde golf wordt veroorzaakt door de optelling van de fundamentele sinusvormige spanning met een grondfrequentie van 50 Hz en vele sinusvormige spanningen met andere frequenties. Een veelvoud van de basisfrequentie noemen we een harmonische. In ons net dus 100 Hz, 150 Hz, 200 Hz, enz. De even-harmonischen(2, 4, 6, 8, enz.) komen zelden voor in het elektriciteitsnet, omdat er nagenoeg geen gelijkspanningscomponenten in apparatuur worden toegepast. We komen normaal dus de oneven-harmonischen tegen (de 3e (150 Hz), de 5e (250 Hz), de 7e (350 Hz), enz.). De 3e- en 5e harmonische komen relatief het meest voor. In driefase-netten met gelijkrichters zullen vaak de 9e- en de 11e harmonische tegenkomen. De gemiddelde waarde op 10 minutenbasis van de effectieve waarde van de harmonischen, mag gedurende 95% van de week voor elke rang een vastgelegde grenswaarde, uitgedrukt in een percentage van de nominale spanning Un (bijvoorbeeld: 6% voor de 5de harmonische), niet overschrijden. Het globale harmonisch percentage (THD, zie definitie in norm) met inbegrip van alle harmonischen tot de 40ste, mag niet buiten 8% van de amplitude van de fundamentele spanning liggen.

  5. Flicker
    Snelle spanningsschommelingen veroorzaken een opeenvolging van lichtsterktewijzigingen in verlichting. Dit heeft een knipperend optisch effect tot gevolg dat flicker wordt genoemd. Vanaf een bepaald niveau werkt dit fenomeen storend. Deze storing groeit zeer sterk naargelang de amplitude van de schommeling toeneemt. Volgens de normen CEI 868 en CEI 1000-4-15 kan het flickerniveau van korte duur Pst gemeten worden (meting over 10 minuten; st betekent short time). Uit dit meetprincipe kunnen we het flickerniveau van lange duur Plt afleiden (lt betekent long time) door de gemiddeldenberekening van 12 flickers van korte duur. Het flickerniveau mag de waarde Plt = 1 niet overschrijden gedurende 95% van een week.

  6. Balansverlies
    Het balansverlies wordt bepaald door het symmetrieverschil in het driefasig systeem gekenmerkt door de gelijkheid van de spanningsmodules in effectieve waarde en hun respectieve defaseringen. De norm stelt hier dat de effectieve waarde op 10 minuten van de componenten van het systeem in omgekeerde modus niet meer dan 2% van de componenten van het systeem in de bijbehorende rechtstreekse modus mag bedragen onder 95% van de meetresultaten van één week. In een perfect symmetrisch driefasig net is de omgekeerde component gelijk aan nul.

  7. Afstandsbedieningsignalen
    Dit zijn de signalen die op de voedingsspanning worden gesupperponeerd (afstandsbediening via audiofrequentie van 110 tot 300 Hz en signalen met stuurstroom variërend van 3 tot 148,5 kHz). 99% van de gemiddelde waarden op 3 seconden van de afstandsbedieningsignalen van één dag mogen de drempel, vastgesteld naargelang de frequentie, niet overschrijden. Deze drempel bedraagt 5% van de nominale spanning Un bij 1 kHz.

  8. Frequentie
    In normale gebruiksomstandigheden moet de gemiddelde waarde op 10 seconden van de fundamentele frequentie van een net aangesloten op een evenwichtig systeem gedurende 95% van een week binnen een bereik van 50 Hz ± 1% blijven

 

logo itc logo dekra logo sei logo uneto